Soms vind ik het moeilijk om zuiver Standaardnederlands te spreken en te schrijven. Er klinkt altijd wel wat Vlaams doorheen. Dat klinkt misschien aanstellerig, maar je moet je voorstellen dat ik vanaf mijn achttiende, zowat twee decennia geleden, altijd omringd ben geweest door Vlamingen. Ik vind het juist niet altijd leuk, want bij kleine zinswendingen kan ik soms echt twijfelen of het nu Vlaams is, of Nederlands. Erg onhandig in mijn werk, waar ik toch in ieder geval Standaardnederlands zou moeten schríjven. Het gaat soms om zulke subtiele dingen, dat ik de voorbeelden hier niet eens kan aanhalen. Wel kan ik een aantal woorden bedenken die meer voor de hand liggen, en waarbij ik bijna standaard het Vlaamse woord gebruik, of die ik bijna niet anders dan op z’n Vlaams kan uitspreken: - dessert: hoewel niet typisch Vlaams, is dit woord in Nederland minder ingeburgerd dan het woord ‘toetje’ (waar ik van Vlamingen trouwens altijd commentaar op krijg, omdat het zo’n raar woord is).
- pyjama: pyjáma zeggen is voor mij buitengewoon lastig, het wordt pýzjama.
- praline: omdat het Franse en Vlaamse woord voor snoepje ‘bonbon’ is, krijg ik het Nederlandse ‘bonbon’ voor praline echt niet over mijn lippen.
- brief in de zin van ‘boodschappenlijstje’: misschien omdat het woord ‘boodschappenlijstje’ zo lang is, gebruik ik eigenlijk standaard het woord ‘brief’: “Staat de pindakaas al op de brief?”
- pennenzak in plaats van etui: vind ik eigenlijk veel mooier; ik houd van woorden die precies aangeven wat ze betekenen, zoals bijvoorbeeld ook het meer in Vlaanderen gebruikte briefomslag en de Vlaamse duimspijker voor punaise.
- een boontje hebben voor iemand (‘een zwak voor iemand hebben’): toen ik dit eens argeloos op mijn werk zei, klonk deze uitdrukking mij volkomen vertrouwd in de oren. Tot ik niet-begrijpend werd aangekeken...
- schoonbroer: het is toch logischer om het over je schoonzus en je schoonbroer te hebben, dan over je schoonzus en je zwager?
